geschiedenis bescherming van de das |
|
Dassenbescherming
Na eeuwen van uitgraven, strikken, klemmen, vergiftigen, martelen, uitroken en doodschieten is de das sinds 1942 beschermd verklaard in de jachtwet. Deze bescherming betekende, dat de jacht op de das doorlopend gesloten is. Aanvankelijk bleef het mogelijk om toch een afschotvergunning te krijgen als er sprake was van onder meer landbouwschade. In 1960 bleek dat de dassenjacht sinds 1942 niet was afgenomen, maar door vergunning gelegaliseerd, gewoon was doorgegaan. Dit was toen eindelijk aanleiding om de jacht definitief te sluiten.
De das, van 'schadelijk' naar beschermd
Zoogdierbescherming in Nederland is betrekkelijk nieuw. De eerste wetten, die iets regelden rond inheemse zoogdieren waren de jachtwetten. De allereerste jachtwet van 1824 probeerde de wildstand, die behoorlijk te lijden had gehad, weer op peil te brengen. Erg effectief was deze wet niet; in 1826 stierf de bever uit in en in 1869 sneuvelde de laatste wolf. De bescherming gold dan ook niet voor het zogeheten 'roofwild', als concurrent van de jager. De jacht op deze roofdieren werd zelfs met premies gestimuleerd. Langzamerhand groeide het inzicht, dat sommige dieren ook 'nuttig' kunnen zijn en dat sommige soorten dus beschermd zouden moet worden, net als hun leefgebieden.
Nuttige dierenwet
In de Nuttige Dierenwet uit 1880 werden zoogdieren voor het eerst echt beschermd. Het ging echter alleen om dieren, die nuttig werden geacht voor de landbouw. Dat gold niet voor de das. De oproep van sommige biologen om ook zeldzame en 'merkwaardige' dieren te beschermen kwam te vroeg. De das werd tot dan toe enkel genoemd in de jachtwet en gold als 'schadelijk wild'. In 1942 werd de das samen met de boommarter en de otter gepromoveerd tot 'pelswild', waarmee de jacht op deze dieren gesloten werd. Toch verleende de overheid tot 1960 regelmatig vergunningen voor het afschieten van dassen, onder meer als er sprake was van landbouwschade. In 1960 bleek dat de jacht op de das, door die vergunningen gelegaliseerd, gewoon was doorgegaan. Burchttellingen in 1958 en 1959 wezen uit, dat het zeer slecht gesteld was met de dassenpopulatie in Nederland. Vanaf 1960 werd de jacht op de das definitief gesloten. De jachtwet van 1954 bood de overheid de mogelijkheid landbouwschade te vergoeden. Bovendien konden landbouwers een vergoeding krijgen voor het gedogen van burchten op hun land. Landbouwschade door dassen werd vanaf de jaren zestig opgelost, door dassen weg te vangen en ze te verplaatsen naar gebieden waar ze verdwenen waren.
Natuurbeschermingswet
Alle wetgeving rond inheemse dieren beschermde tot ver in de twintigste eeuw uiteindelijk alleen mensenbelangen. Pas in het Besluit Beschermde Inheemse Zoogdieren van 1973 (onderdeel van de Natuurbeschermingswet van 1967) werden inheemse dieren echt beschermd, onafhankelijk van het nut van zo'n dier voor mensen. Oorspronkelijk gold deze bescherming nog niet voor de das, die werd pas in 1994 samen met de Noorse woelmuis aan het rijtje toegevoegd. In de Natuurbeschermingswet was het doden, maar ook het verstoren van beschermde dieren strafbaar. De das was dus wel beschermd, maar zijn leefgebied nog niet. In de Natuurbeschermingswet konden ook belangrijke gebieden worden aangewezen als natuurreservaat. Naar aanleiding van tegenvallende burchtinventarisaties in 1958 en 1959 stichtte Staatsbosbeheer in 1959 een dassenreservaat, de 'Groeningse en Vortumse Bergjes' in het Maasheggengebied.
 | | | 'Beim Ausgraben des Daches', houtgravure Ludwich Beckman, 1867 |
|
|
Das&Boom Rond 1980 was de Nederlandse dassenpopulatie gedaald tot zo'n 1200 dieren en totaal versnipperd. Zonder ingrijpen zou de das onherroepelijk zijn uitgestorven in Nederland. Dat was voor het toenmalige ministerie van LNV aanleiding om in 1982 het 'Beheersoverleg dassen' te starten. De beleidsaanbevelingen van dit overleg, waaraan onder meer het Landbouwschap, de Nederlandse Jagersvereniging, Natuurmonumenten, de Zoogdiervereniging en Das&Boom deelnamen, werden in de 'Notitie inzake het Dassenbeheersbeleid' verwerkt en in 1985 door de Tweede Kamer unaniem ondersteund. Voor drie periodes van vijf jaar waren doelstellingen voor het dassenbeheer geformuleerd:
 | | 1984 tot 1989; afname van het dassenbestand tot staan brengen en initiëren van herintroducties.
|  | | 1989 tot 1994; populatiegroei, areaaluitbreiding en het met elkaar verbinden van deelpopulaties.
|  | | 1994 tot 1999; realiseren van één totaal samenhangend areaal met optimale dichtheden en een maximale bescherming.
|
Het in 1990 verschenen Natuurbeleidsplan, waarin de das als aandachtsoort werd genoemd, vormde het kader voor toekomstig dassenbeheersbeleid. Een van de doelstellingen was het streven dat er in 2000 weer zo'n 5000 dassen in Nederland zouden leven.
Aanvankelijk herstelde de dassenstand zich slechts zeer matig, omdat de dassenpopulatie nog maar een klein aantal versnipperde leefgebieden bewoonde. Echt herstel van de dassenpopulatie kwam echter pas vanaf 1990, toen de door Das&Boom afgedwongen voorzieningen als dassentunnels en de herintroductie van dassen door Das&Boom hun vruchten begonnen af te werpen. In het begin van deze eeuw is de succesvolle herintroductie van de das wegens succes beëindigd'. ('De das gered')
Habitatrichtlijnen In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelde de Europese Unie richtlijnen voor de bescherming van diersoorten en leefgebieden. Dit resulteerde in 1992 in de 'Habitatrichtlijn', waarin de bescherming van natuurlijke en half-natuurlijke habitats (leefgebieden) centraal staat. Gebieden, die in die richtlijnen een extra bescherming genieten, moeten uitgroeien tot een Europees netwerk van natuurgebieden, 'Natura 2000'. Dit Europees netwerk lijkt op de Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur, maar de Natura 2000 gebieden zijn veel strenger beschermd.
|
Flora en faunawet
De Europese natuurwetgeving is in Nederland qua soortbescherming uitgewerkt in de Flora- en Faunawet. Ook de zogenaamde intrinsieke waarde van dieren, dus de eigenwaarde, los van nut of eventuele schadelijkheid voor de mens, vormde de basis voor die pas in 2003 ingevoerde Flora en faunawet. In de wet is bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden. Ook is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, zoals burchten, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. De wet gaat uit van het "nee, tenzij "-beginsel. Beschermen staat voorop, ingrijpen is een uitzondering. In deze Flora en faunawet had de das een beschermde status en staat in de bijbehorende bijlage in tabel 3 (behorende bij artikel 75), wat betekende, dat de das en ook zijn burcht en directe leefomgeving streng beschermd waren. De das stond op een doelsoortenlijst van het Ministerie van EZ. Dat betekent, dat de das vanwege zijn relatieve zeldzaamheid met prioriteit aandacht krijgt in het natuurbeleid. In het Verdrag van Bern (1982) wordt de das genoemd als soort van bijlage 3 (Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats, appendex III). Dat betekent dat de das werd aangemerkt als beschermde diersoort.
Ontheffingsmogelijkheden Dat betekent echter niet, dat de das nu eindelijk met rust gelaten wordt. In het steeds voller wordende Nederland moesten dassen juist steeds vaker wijken voor onder meer stadsuitbreiding en nieuwe wegen, dus om redenen van 'groot maatschappelijk belang'. In de Flora en faunawet wordt in artikel 75 geregeld, wanneer en onder welke voorwaarden van de verbodsbepaling mag worden afgeweken. In een aan dat artikel gekoppelde Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) is sprake van drie maten van bescherming en ontheffingsmogelijkheden, weergegeven in drie tabellen. De das geniet daarin de hoogst mogelijke bescherming (tabel 3). Er worden alleen ontheffingen verleend voor het verstoren van dassen, wanneer er 'geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort', er 'geen andere bevredigende oplossing bestaat' of met het oog op 'andere, bij AMvB aan te wijzen belangen'.
Wet natuurbescherming
Sinds begin 2017 werd de bescherming van de das geregeld in de Wet natuurbescherming. In die wet viel de das onder de categorie 'andere soorten'. De voor de das noodzakelijke bescherming, die in de Flora- en faunawet duidelijk omschreven was (strikt beschermd), was in de Wet natuurbescherming minder expliciet omschreven. De bescherming van de das en zijn burcht bleef echter onverminderd van kracht. Ook het leefgebied was beschermd voor zover dit noodzakelijk was voor het functioneren van de burcht.
De 'ecologische functionaliteit' van een dassenburcht mocht niet verminderen ten gevolge van menselijke activiteiten. Dat betekent eigenlijk gewoon dat je een dassenburcht en alles wat noodzakelijk is voor het functioneren daarvan zoveel mogelijk met rust moet laten, zodat de das daar kan blijven leven. Verstoring was in deze wet niet meer afzonderlijk strafbaar. Verstoring kon echter wel een overtreding zijn wanneer deze ertoe leidde dat de ecologische functionaliteit van een dassenburcht werd aangetast.
Die ecologische functionaliteit van dassenburchten bleef beschermd. Ook ingrepen buiten de burcht konden daarom verboden zijn wanneer die de functionaliteit van de burcht aantastten, bijvoorbeeld door het verstoren van de noodzakelijke rust, het aantasten van essentieel en goed bereikbaar foerageergebied of het belemmeren van noodzakelijke functionele verbindingen.
In 2024 in de Omgevingswet van kracht geworden.
Inhoudelijk is de bescherming nauwelijks veranderd. De das behoort nog steeds tot de 'andere beschermde soorten'. Op grond van artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het verboden om dassen opzettelijk te doden of te vangen en hun vaste voortplantings- of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Ook hier kan aantasting van essentieel foerageergebied, rust of noodzakelijke verbindingen verboden zijn wanneer daardoor de functie van een dassenburcht wordt aangetast.
De algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming is onder de Omgevingswet voor flora- en fauna-activiteiten uitgewerkt in een specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal). Deze beschrijft veel concreter wat van een initiatiefnemer wordt verwacht om nadelige gevolgen voor wilde dieren en hun leefgebied te voorkomen of te beperken. Deze zorgplicht geldt naast de afzonderlijke verbodsbepalingen en blijft ook van toepassing wanneer voor een activiteit een vergunning is verleend
terug naar > wettelijke bescherming
|
|